Home blog Balanceren

Balanceren

De eerste dagen van april waren gevuld met guur weer: koude en striemende regen. En dan ineens, op dag zes: schaamteloos stralende zon, compleet met piekende temperaturen. Om te bewijzen dat het menens was in de maand met grillen.
Ik snoof de buitenlucht op en haalde een zomerjurkje van stal. Mijn witte benen blakerden van verwondering. Zo meteen had ik een meeting in de stad. Met iemand die ik lange tijd niet had gezien, om paden te verkennen voor mogelijke samenwerking. Ik switchte de computer aan om het halfuurtje op overschot nog te besteden aan mails en sociale media. Een eigenaardig bericht ving mijn aandacht. Een ingetogen post met een hint van afscheid en verdriet. Na wat scrollen en pluizen werd het mij duidelijk dat het ging om een overlijden, een zelfgekozen vertrek.
Het was jaren geleden dat ik de man in kwestie nog in den lijve zag. Dat was toen we een periode van intensief contact beleefden. Door een samenwerking waarbij we vanuit onze organisaties tot team werden verkozen, werkten we een klein jaar samen aan een ambitieus project.
Ik zoefde over het internet. Het ene verbijsterde bericht na het andere rolde voorbij. Een jonge man, een mooie man, een man met zoveel talenten, die had besloten om er niet meer te zijn.
Mijn meeting wachtte intussen op me in de stad. Ik stapte de fiets op en reed de straat uit. Mijn jurkje wapperde in de warme wind. Op elke straathoek stonden mensen te keuvelen, ongehaast met dit weer om de binnenkant van huizen of kantoren op te zoeken.
Ik fietste langs het water, mijn haren zwiepten alle kanten op. Een lichamelijke blijdschap overviel mij, een open en ontvangend gevoel om al dat zonlicht te ontvangen, in zoveel poriën als mogelijk.
Al trappend en al wapperend moest ik aan hem denken. Aan hem. Hij die er een punt achter zette.
Dat deed hij op die gure zondag, nog maar een paar dagen terug.
Ik reed de stad in en passeerde overal uitzinnig gillende bloemenperken. Met felle kleuren juichten en zwaaiden ze. Ik fluisterde: ‘Weet je, ze waren bijna voorbij, die donkere zware maanden, nog heel even en ze waren voorbij.’ Ik bracht mijn hand naar mijn mond, om de gefezelde woorden te verfrommelen en door te slikken.
Aangekomen op mijn bestemming maakte ik mijn fiets vast aan een gietijzeren hek. Ik rende de straat over, het koffiehuis in. Mijn afspraak zat er al.
‘Oei,’ zei hij.
Ik schaamde mij over de tranen die ineens over mijn wangen stroomden. Het werd een ander weerzien dan gepland.

In de weken die volgden eiste jouw vertrek buitensporig veel plaats op in mijn gedachten. Buitensporig want zo goed hadden wij elkaar helemaal niet gekend. Ik dacht aan alle familieleden en vrienden die je achter je had gelaten en voelde mij een beetje een aansteller met mijn eigen verdriet.
In het online rouwregister werd ik getroffen door een wondermooi bericht van iemand uit je familie:
In de plooien van het groot damasten laken viel de lijn van je leven – je stapte erover je groette nog even – o mysterieuze bovenwereld.
Ik las het keer op keer, telkens weer met verwondering, en besefte dat er ook een begrijpen was.

April vulde zich met vele kleine en een paar grote dingen en tussendoor dacht ik veel aan jou. Intussen had ik aanvaard dat je nog even in mijn gedachten zou wonen of dat nu vreemd was of niet. Ik circuleerde in allerlei kringen en merkte dat heel wat gesprekken bij jou uit kwamen. Niet alleen ik zocht een plaatsje tegenover jouw vertrek, vele anderen waren ook op zoek.
Ik besefte dat een stuk van mijn verdriet te maken had met onmogelijkheid. Het was onmogelijk nu om ooit nog eens die koffie te drinken waarbij we elkaar op de schouder zouden slaan en zouden lachen over onze schurende samenwerking, al die jaren terug.
Het was onmogelijk nu om je ooit nog eens te zeggen dat ik er ondertussen was achtergekomen hoe ontzettend gevoelig jij was voor de wereld en alles er in.

Vannacht droomde ik over jou. Het was een driedaagse workshop of een retraite of zoiets. Het speelde zich af ergens in het groen, niet in de stad. Jij was er en heel wat mensen die wij beiden hebben gekend. Het was duidelijk dat jij ergens in de loop van die driedaagse zou vertrekken. Dat was helder voor iedereen. Maar er was geen zwaarte, geen neiging om je op andere gedachten te brengen. Jij zou gaan en dat was dat. We volgden de workshops en zaten soms in hetzelfde team. Geen volgeladen momenten, enkel simpel samenzijn.
Op een bepaald moment waren we met een klein groepje buiten aan het werk. Iedereen van het groepje moest één voor één een modderige passage oversteken. De overkant bereiken lukte alleen als je heel voorzichtig maar tegelijk kordaat, op de takjes in de modder balanceerde. Ik moest er drie keer overheen, ik concentreerde me en het lukte. Toen ik opkeek zag ik dat je vertrokken was. Zomaar stilletjes. Naar die plek waar je heen moest. Naar die plek waar je moest zijn.