Home portret in opdracht Alles is anders

    Alles is anders

    Een festivaldorp, opengeklapt in een stadspark in Oostende. Een verzengend hete dag is het. Gisteren werden er warmterecords gebroken, vandaag komt er nog een graadje bij. Langs de vijver in het park staat een gedekte lange tafel op gasten te wachten. Uit het tijdelijk plafond hangen planten naar beneden, ze wiegen een beetje in de warme bries die wordt aangevoerd door de zee wat verderop.

    Een bus houdt halt bij de ingang van het festival, de voordeur schuift open en een kleurrijke stoet van mensen verschijnt. Sommigen springen gezwind van de bus, andere met voorzichtige voeten, nog andere dalen neer met een liftsysteem gezeten in de rolstoel die hun vaste kompaan is. Een tengere man in zwarte shorts en T-shirt, een Afrikaanse vrouw in een paars wikkelkleed met vrolijke prints, een dame op leeftijd in stijlvolle outfit en met roodgestifte lippen. De tafel vult zich gestaag met gasten, een bonte verzameling van mensen is het, met uiteenlopende origines en achtergronden. Al snel is er overal geroezemoes en gekibbel te horen, als in een grote nieuw-samengestelde familie.

    De tengere man zit tegenover mij, hij stelt zich voor als Mark. Zijn snor en baard verhullen voor een deel hoe zijn gebeente door zijn vel heen priemt. Hij mag niet alles eten, zegt hij, hij moet een beetje opletten. Naast mij zit een innemende man met sprankelende ogen. ‘Ik ben Rachid.’ Hij schudt mij de hand en gooit een blik over de tafel. ‘Dit is zo’n beetje een tweede familie voor me, we brengen veel tijd door samen. Het verleden doet er niet toe hier, in deze familie is er enkel het nu.’ Hij knipoogt naar de oude dame aan de overkant van de tafel. Ze produceert een flauwe glimlach als antwoord. ‘Ik heb veel problemen gehad in mijn leven: drugs, foute vrienden, gevangenis, ziekte. Maar nu is dat allemaal anders.’

    De lunch arriveert, een slaatje met pasta, zongedroogde tomaat en mozzarella. ‘Dat eet ze niet hoor,’ zegt een van de vrijwilligers over de dame naast haar, maar de dame in kwestie tast toe en eet het hele bord leeg.

    Als dessert is er een koele fruitsla die door de disgenoten op een kirrende goedkeuring wordt onthaald. De Afrikaanse dame in het paars zet het kommetje met fruitsla op haar hoofd en begint enthousiast te klappen en te zingen. De mensen rondom haar pikken in en klappen mee. Het kommetje deint vervaarlijk heen en weer, de man naast haar houdt zich lachend klaar om het op te vangen maar het blijft overeind tot het eind van het lied.

    De lunch is voorbij en de zee begint harder te roepen, de bus verschijnt opnieuw bij de ingang van het park. Spullen worden verzameld en de tafel wordt verlaten. ‘Waar is Mark?’ vraagt iemand. ‘Hij is zijn stoma gaan verversen,’ antwoordt iemand anders.

    De bus brengt ons een eind weg van Oostende, naar een plek bij de zee waar het rustig is en met een revalidatiecentrum in de buurt, het heeft faciliteiten die van pas kunnen komen.
    We staan met z’n allen op de stoep voor de cafetaria waar we zijn uitgeladen. Een van de begeleiders legt uit: ‘Je kan hier in deze cafetaria zitten als je wil, of je kan naar het strand. Wat verderop kunnen we speciale rolstoelen lenen voor zij die slecht te been zijn? Wie wil naar het strand?’ Alle handen gaan de lucht in. Een aantal begeleiders en vrijwilligers trekken er op uit om de strandrolstoelen te gaan halen. Een deel van het gezelschap gaat wachten in de cafetaria, de rest strijkt neer op het muurtje bij de stoep of leunt op de rollators die zijn meegekomen. Een reeks bomen is zo goed om wat lommerte te voorzien. Een paar momenten lang zegt niemand iets en is er enkel het ruisen van de golven. Een frêle oude dame uit het gezelschap steekt een sigaret op en kijkt met dichtgeknepen ogen uit over de zee. Rachid doet zijn hippe pet af om even over zijn kortgeschoren haren te wrijven. De dame met de roodgestifte lippen lacht een kleine glimlach van onder haar grote zonnehoed.
    Ik overschouw het bijzondere gezelschap op de stoep. Een rijzige man met korte krullen, zwijgzaam en met minzame blik. Een man in een rolstoel, afzijdig, in zichzelf gekeerd. Een Afrikaanse vrouw met zingende ogen en een giechel spelend in haar mond.
    Paulina heet de laatste, ze draagt een sjaal met goudborduursel over haar bikini heen, bij haar linkeroog zit een lichtverkleurde zwelling.
    ‘Gaat het, Marie?’ vraagt ze. Marie is wellicht de jongste van het gezelschap, ze leunt voorover op de rollator, gehuld in een stille zweem van pijn. Ze knikt. Wat verderop, dichtbij de straat, staat een man die me nog niet eerder was opgevallen. Zijn gezicht en ledematen zijn wat opgeblazen. Hij lijkt minder verbonden met de rest van de familie. Als in een roes staat hij naar de zee te kijken, het lijkt hem moeite te kosten om zijn hoofd overeind te houden maar toch wendt hij zijn blik niet af. Ineens komt hij in beweging, hij steekt kordaat de straat over richting zee.
    ‘We hoeven eigenlijk niet te wachten,’ zegt Rachid, ‘kom, we gaan al.’
    ‘Oké,’ zegt een van de begeleiders, ‘diegenen die uit de voeten kunnen, gaan al het strand op.’ Ik steek de straat over ga achter de gezwollen man aan. Hij heeft er de pas ingezet, schijnbaar niet belemmerd door het hete zand dat nochtans brandt aan de voetzolen. De zon is meedogenloos. Er zijn niet veel mensen die de hitte trotseren. De man laat zijn tas in het zand zakken en trekt moeizaam zijn hemd uit. Hij ziet niets of niemand, zijn gelaatsuitdrukking is onbewogen. Hij loopt met gestage pas naar de golven toe en houdt pas halt als het water tot aan zijn knieën komt. Daar staat hij. Minutenlang. Onder de schroeiende zon. Het water trekt ritmisch om hem heen.
    Een van de begeleiders loopt naar hem toe met een zonnehoed. Ze zet de hoed langs achteren op zijn hoofd. Hij laat het gebeuren, reageert niet, hij blijft staan.
    Marie moest eigenlijk wachten op een strandrolstoel maar komt moeizaam aangestrompeld. Aan elke zijde is iemand verschenen om haar te ondersteunen, stap voor stap. Uiteindelijk zijgt ze neer op het zand, nahijgend van de inspanning, ze richt haar blik op naar de deinende golven en zucht.
    Rachid is door de zeelucht in een jongeling veranderd, hij trekt enthousiast zijn kleren uit. ‘Ga je mee, Jan?’ De man met de korte krullen en zachte blik schudt met een glimlach het hoofd. ‘Ik heb mijn zwembroek niet bij.’ Rachid trekt zijn schouders op en loopt in boxershort naar de zee. Jan zit op een handdoek met zijn armen rond zijn knieën. ‘Ben jij een van de vrijwilligers?’ vraag ik hem. Hij kijkt mij aan met zijn zachte blik en schudt het hoofd. ‘Nee, ik ben geen vrijwilliger, ik ben… gast.’
    ‘Hey Abu,’ roept Rachid lachend naar een van de mannen in ons gezelschap, ‘Senegal is daarheen!’ Hij wijst naar links over de zee. Abu schudt het hoofd en laat wat zand door zijn vingers glijden. ‘Ik blijf hier,’ zegt hij halfluid zonder dat Rachid dat kan horen.
    Marie komt moeizaam overeind. Abu en Paulina schieten haar tegemoet. Ze schrijdt naar zee, elke stap is geflankeerd met een grimas van pijn. De delegatie beweegt zich over het hete zand naar de verkoelende zee toe.
    ‘Handdoek,’ piept Marie met een hoofdknik tegen Paulina die haar ondersteunt. Ik neem de arm van Marie over terwijl Paulina een opgevouwen handdoek aan de zijkant van de golfbreker neerlegt zodat ze kan gaan zitten. Het gezelschap strijkt neer in het water rondom Marie, Paulina gaat naast haar zitten met een voldane zucht en schikt de sjaal die ze draagt over haar benen. Het zoute water slaat in kleine golfjes over de voeten van Marie. Ze kijkt op van onder haar zonnehoed en glimlacht een set hagelwitte tanden bloot. Haar ogen zijn helemaal anders nu, zonder de sluier van pijn onthullen ze een hele geschiedenis aan verhalen.
    ‘De zee is vuil,’ zegt Abu.
    ‘De zee is goed,’ zegt Paulina.
    Abu knikt zijn hoofd opzij naar zijn schouder toe.
    ‘Het water is koud,’ zegt hij.
    ‘Het water is goed.’

    Uit het niets verschijnen er wolken en steekt er een wind op. Moeizaam krijgen we Marie terug het strand op. Een van de begeleiders zegt dat we best de rest van de groep vervoegen die een eind verderop zit en waar het strand rolstoelvriendelijk is. De troepen verzamelen alle spullen en zetten koers naar de dijk. Ik blijf bij Marie die over strand met een rolstoel zal worden opgehaald door een van de begeleiders. Zwijgend zit ik naast haar op het mulle zand. Het doet goed om hier zo te zitten en een paar stille momenten te plukken. Ineens voel ik een dikke druppel in mijn nek. Verwonderd kijk ik op om te zien waar het nat vandaan komt. Verspreid over het strand vallen er grote druppels neer. Ze tekenen donkere cirkels in het zand. De zon priemt achter een van de wolken vandaan met een paar stralen, het is net alsof het diamanten regent. Marie en ik kijken woordeloos naar het schitterend spektakel en glimlachen naar elkaar. In de verte komen twee begeleiders aanrennen met een strandrolstoel.

    We staan op de dijk bij de plek die is uitgerust voor andersvaliden. Het is intussen opgehouden met regenen maar de grote hitte is met succes verjaagd. Voor de hut staan rollators en rolstoelen samen met hun gezellen in een chaotisch groepje bij elkaar. Sommigen zijn geanimeerd in gesprek, anderen hebben hun blik strak op de zee gericht. De bus arriveert en het inladen begint. De helft van het gezelschap bestijgt op eigen kracht de bus bij de ingang vooraan, de andere helft wordt bijgestaan door het liftje achteraan. Als iedereen is ingecheckt gaan de deuren dicht. Ik blijf in mijn eentje op straat achter. Ik kijk wat verweesd naar de mensen op de bus. Ineens zit het er op. Het is voorbij en alles is anders. Achter mij pulseert de eeuwig deinende zee. Met een grom schiet de motor van de bus in gang. De chauffeur zet de richtingaanwijzer aan en zachtjes komt het gevaarte in beweging. Iemand op de bus zwaait naar me, ik steek wat aarzelend een hand op als antwoord. Alle handen op de bus gaan in koor de lucht in. Ik zwaai tot de bus helemaal uit het zicht is verdwenen.

    Ik zoek een bankje op. Het strand is zo goed als verlaten, de fikse regenbui heeft de meeste strandbezoekers weggeranseld. De zon zelf is niet te zien, maar gehuld in nevels zorgt ze voor een delicaat lichtspektakel met gelaagde kleuren en zachte overgangen in oker en lichtroze. De vele indrukken van vandaag dansen rond in mijn lijf, mijn keel prikt een beetje. Ik tracht met mijn blik de plek te vinden waar de zee en de horizon elkaar treffen. Het lukt mij niet om die plek te vangen maar wat meanderen ze mooi om elkaar heen, de zee en de einder. Wat een tederheid.

    IN/FINITY is een project rond oneindigheid van het palliatief en supportief dagcentrum TOPAZ. In het kader van Theater Aan Zee kwamen een aantal gasten van het centrum samen met begeleiders en vrijwilligers voor een dag naar de kust. Sommigen onder hen zagen de zee wellicht voor de allerlaatste keer. Ik maakte een portret.

    (de namen van de gasten zijn fictieve namen)