Home blog Het veld roept

Het veld roept

Het veld roept. Ik bewapen mij met zakken in allerlei formaten, een paar bewaardoosjes en een mes. In de vlucht gris ik ook een waterfles mee. Altijd opnieuw brengt de kleine fietstocht een zucht van opwinding in mijn hart teweeg. Een kleine ontsnapping uit de stad, naar een veld dat een klein beetje het mijne is.
In de eerste jaren kwam er soms stress aan te pas, en gefoeter onder echtelieden. ‘Niets meer in de ijskast, jij zou toch groenten halen op het veld?’ Intussen is er een andere aanpak in de routine geslopen: het oogsten heeft zijn plekje in de agenda veroverd als een blokje tijd van hoge kwaliteit, niet langer als iets dat moet worden afgevinkt.

Ik laat de stad achter mij, de bewoning wordt steeds minder, ik fiets door de kalme villawijken tot ik aan het straatje kom waar het wonen eventjes ophoudt. Daar ligt het veld. Het is de voorbije jaren groter geworden, en het is tevreden dat een derde van zijn oppervlak om de beurt mag rusten. Rusten en geven. Geven en rusten. Het ademt, het veld, via zijn ontelbare groene bewoners die er groeien en bloeien. Het ademt, via de vele dankbare bezoekers die er zuurstof en vitaminen vinden, en die met opgeladen cellen en armen vol geschenken naar huis terugkeren.
Ik parkeer mijn fiets en laaf mij als stedeling een paar momenten aan de weidsheid van het veld. Paarden briesen langs de ene kant, bomen wuiven langs de andere. Daartussen ligt er een echte oase van groenten, netjes in bedden en in rijtjes, tevreden uitgestrekt te midden van hun soortgenoten. Ik loop naar de verste uithoek toe om er overzichtelijk aan te beginnen. De overvloed op dit moment van het jaar is enorm, het is bijna overweldigend. Het is het einde van de zomer, de tijd om te oogsten. De seizoenen hebben zich meer dan vroeger in mijn leven genesteld. De ongedurigheid in de prille lente, het verlangen naar het voorjaarslicht. ‘Zijn er al wortels? Is er al sla?’ De onstuimige groeispurt in de vroege zomer. ‘De aardbeien zijn er, kom we gaan ze van de struiken eten, hop we gaan er heen!’ De tegenstrijdige verlangens van de volle zomer. ‘Zouden we ons verlof niet beter anders plannen, er is net zo’n weelde op het veld!’ De heerlijke voldaanheid in de nazomer. ‘Wat zal ik vandaag klaarmaken?’ Courgetten, kerstomaten, wortels, warmoes, rode bieten, boontjes, broccoli en zoveel meer, zoveel meer, een wild feest van groenten en kruiden. De bladeren vallen, we trekken volgetankt de herfst in. De dagen worden korter. Er is nog steeds steeds overvloed op het veld maar stilaan toch iets minder uitbundig, we hamsteren pompoenen en maken soep. De winter zet zijn kraag op en nadert nu met rasse schreden. Het licht trekt zich terug. Er zijn nog preien en kolen. En kolen en kolen. Het wordt koud, alleen ingeduffeld valt er buiten te komen. Een tijd om naar binnen te plooien, fluistert het veld nu, om te rusten en krachten te verzamelen. En te wachten tot straks de lente begint.
Ik heb boontjes en peterselie geplukt, een kropsla onthoofd, aardappelen gedolven, stengels plukspinazie afgesneden, ananaskers gegeten. Soms wissel ik een paar uitingen van blijdschap met een andere oogster, soms raak ik aan de praat met de boer. De boer, die tien jaar geleden zijn leven omgooide om de roep van zijn binnenste te volgen en zijn bestaan tussen vier muren radicaal de rug toe te keren. Ik heb bewondering voor de moed die dat toen vergde en ook voor het doorzettingsvermogen dat nodig was later, toen het veld boven zijn hoofd dreigde te groeien en de balans tussen leven en wroeten eventjes helemaal zoek was. Het was een van de eerste keren dat ik de kracht van het wij werkelijk ervoer. Het wij besefte dat het anders moest en verzamelde zich om een tandje bij te steken. De bijdragen werden verhoogd, er verscheen een extra boer op het veld. Later werd het wij opnieuw opgeroepen: de kostbare grond kon niet langer worden gepacht en diende te worden aangekocht, om veilig te zijn voor de toekomst, om ruim genoeg te zijn zodat een deel van het land de tijd zou krijgen om op adem te komen. Het wij toonde zich krachtig en zette de toon voor meer. Meer velden, meer duurzame systemen, meer wij.

Mijn fiets is afgeladen vol, van top tot teen getooid met oogstgoed. Het geurige loof van wortelen priemt uit de ene zak aan mijn stuur uit, rode en groene warmoesbladeren steken uit de andere. De basilicum, die zijn bedwelmende geur in mijn handen achterliet, smeekt om een feestje straks, samen met de plukspinazie en de kerstomaten. Ik duw mijn fiets de straat op en kijk nog even naar het veld. Een dankjewel welt in mij op. Voor de gulle giften, voor het delen van de aarde, voor het altijd daar zijn en de rust. Dan spring ik op mijn fiets en begin aan mijn terugkeer naar de stad, gulzig fantaserend over alles wat ik zou kunnen bereiden straks, met al dat goud dat ik zopas verzameld heb.

portret ter gelegenheid van de tiende verjaardag van Wijveld Zelfoogst