Home Blog Pagina 3

Het wonder van verbindingen

Een oceaan scheidt mijn leven van het zijne maar om de paar jaar weten we eens een dag te stelen. Om ervaringen uit te wisselen en onderweg verzamelde inzichten. Om te profiteren van elkaars blik van buitenaf.

De thuisbasis van Jocelyn Robert is Québec, hij runt er tegenwoordig de kunstafdeling van de universiteit. Als kunstenaar is hij niet voor een gat te vangen. Zijn kunstwerken zijn dan ook dingen die ontstaan als bijproduct van zijn manier van in het leven staan. Voortdurend onderzoekend. Eeuwig nieuwsgierig. En altijd vol verwondering.

Drie jaar nadat we elkaar voor het laatst spraken, troffen we elkaar voor een dag in Lille.

Lees hier het volledige gesprek in het Nederlands (pdf): Jocelyn Robert: het wonder van verbindingen

You can find the text in English here (pdf): Jocelyn Robert: It’s all about seeing linkages and marveling at them

Het licht dat samenhuist met het duister

Een uitstap om het einde van de zomer te vieren voerde me naar de bedwelmend golvende landschappen van het eeuwiggroene Schotland.

Ik ontmoette er Helen McGinn, Schotse furie en groot natuurliefhebber. Ze runt een organisatie in Glasgow om yogalessen naar mindervaliden en mantelzorgers te brengen. Haar eigen leven bleek even heuvelachtig als het koppige landschap dat ons omringde.

Op dag drie van de korte idylle krulden we ons op in de sofa van de cottage, die voor even onze thuis was, en stelde ik haar een paar vragen over haar leven en werk.

Lees hier het volledige gesprek in het Nederlands (pdf): Helen McGinn: Het licht dat samenhuist met het duister

You can find the text in English here (pdf): Helen McGinn: The light that sits beside the darkness

Fieldrecording: Walking by a small river close to Schiehallion mountain in Schotland

 

Wijsheid is weten dat je zoekende bent

Instorten bleek het beginpunt van een reis langs evenveel beproevingen als ontdekkingen. Intussen ben ik het kwetsbare, dat onderweg kwam bloot te liggen, gaan koesteren en beschouw ik het zelfs als iets essentieels voor het vervolg van mijn weg.

Tijdens mijn herstel schreef mijn huisdokter mij voor om tijd in de natuur door te brengen, en raadde ze me aan om enkel die dingen te doen waar mijn hart echt naar verlangde. Het duurde even maar na een paar maanden begon ik het doktersvoorschrift ernstig te nemen en gingen de dingen stromen en genezen.

Nu, vijftien maanden later, besef ik hoe uitzonderlijk het inzicht en advies van mijn huisdokter, Catherine Lesage, in mijn genezingsproces is geweest. Ik zoek haar op voor een gesprek over haar leven en werk als huisarts, homeopaat en gestalttherapeut.

Lees hier het volledige gesprek (pdf): Catherine Lesage: Wijsheid is weten dat je zoekende bent

Een korte versie van het gesprek verschijnt in Psychologies september 2017.

 

Als een regendruppel opgaat in de rivier

Drie jaar geleden ging ik per ongeluk op een boekje zitten op iemands sofa. Het bleek een grappig geschreven werkje over meditatie voor beginners. De ene zin na de andere trof mij. Thuisgekomen ging ik op een stoel zitten en sloot mijn ogen.

Intussen is het stoelzitten een onderdeel van mijn dagelijkse routine geworden. Hoewel ik niet goed kan uitleggen wat het precies met me doet, brengt het ontegensprekelijk een erg heilzaam effect in mijn systeem te weeg.

Ik ging op zoek naar iemand die professioneel met meditatie bezig is en kwam op het spoor van Johan Louncke. Hij combineert in zijn praktijk yoga, meditatie en holisitische massage.

lees hier het volledig gesprek (pdf): Johan Louncke: Als een regendruppel opgaat in de rivier

de korte versie van het gesprek is verschenen in de zomereditie van het tijdschrift Psychologies.

Buurvrouw

foto: Eva Peeters, www.geis.be

In het Gentse kunstenlandschap wordt er nagedacht over dingen. Bijvoorbeeld over hoe er meer diversiteit zou kunnen komen in publiek en personeel. Het is een heikel thema gezien 35 procent van de Gentenaars andere roots heeft en dat naakte feit totaal niet wordt weerspiegeld in de kunsten.

Om het lont naar het vuur te leggen wordt er een format in het leven geroepen: een intercultureel koppelbureau. Er worden duo’s samengesteld waarvan de ene helft niet-lokale wortels heeft en de andere helft plaatselijke. De bedoeling is dat er concrete ideeën worden uitgebroed die levensvatbaar kunnen zijn in het veld.

Vanavond zullen de duo’s de resultaten van hun kleurrijke hofmakerij presenteren op de Bijlokesite. Ik ben uitgenodigd als observator. De voorbije dagen had ik last van een in mijn lijf rondsluipende ongemakkelijkheid: mijn pertinent gebrek aan ervaringsdeskundigheid op het vlak van andere origine. Het voelde eigenaardig om het geheel te gaan aanschouwen met mijn beperkte autochtone blik. In een opwelling ging ik aanbellen bij de Marokkaanse buren. Met een ingewikkelde uitleg vroeg ik aan een van de dochters of ze mij wou vergezellen als extra paar ogen naar Duo Dates.

Twee dagen later sta ik opnieuw verwachtingsvol voor de deur van de Marokkaanse buren. Hanan verschijnt zwierig in de deuropening. ‘Ik ben er helemaal klaar voor,’ zegt ze met een grote glimlach. Haar grote bruine ogen zijn licht opgemaakt. De beentjes van haar modieuze bril verdwijnen in haar glanzende hoofddoek. We stappen naar de bushalte. Hanan vertelt enthousiast over haar opleiding: ze studeert maatschappelijk werk.

Altijd welkom hier

Het smalle rijhuis is zonder veel poespas ingericht. De leefruimte herbergt een trap naar boven en een paar toestellen die het leven van de moderne mens gemakkelijker maken: een vaatwas, een microgolfoven, een wasmachine. De man des huizes heeft een zachte uitstraling en trekt een stoel voor me naar achteren. De ronde tafel is gehuld in een vrolijke toile en is de scène voor de resten van een maaltijd en een fles mineraalwater. Hij gaat zelf ook zitten en glimlacht wat verlegen als ik hem aankijk.
‘Woont u hier alleen?’
Hij schudt het hoofd.
‘Met mijn gezin.’
Hij knikt en ik ook.
‘Een meisje en een jongen,’ voegt hij toe.
Ik realiseer mij dat het waarschijnlijk zijn zoon en dochter is, die ik zo goed als elke ochtend kruis op de stoep. Een meisje van een jaar of dertien met dezelfde verlegen ogen als het paar hier aan tafel. En een jongen een stuk jonger, altijd met één voet op een step. Ze delen dezelfde glanzende zwarte huid.
‘Goede buurt hier,’ zegt hij. Ik knik. Hij kijkt even opzij, naar de klok net boven de deur en laat dan een zachte blik op het tafellaken landen. Hij schraapt zijn keel. ‘Waar woont u precies?’
‘Een stukje verder in de straat, langs dezelfde kant.’ Hij kijkt nadenkend en verplaatst de fles mineraalwater een centimeter naar rechts.
‘Bent u eigenaar van uw huis?’ vraagt hij.
Ik trek mijn schouders op.
‘Binnen een paar jaar toch.’
Hij knikt zonder mij aan te kijken.
‘Kopen is beter, anders gooi je je geld weg.’
De muur naar achter toe heeft een opening in de vorm van een halve maan en biedt een blik op de keuken. Hij knikt zachtjes en aait opnieuw het vrolijke toile met zijn blik.
‘Hebt u altijd in Gent gewoond?’ vraag ik.
‘Eerst in Brugge.’
Ik glimlach. Zijn Nederlands verraadde tot nu toe geen lokale accenten maar het woord ‘Brugge’ verlaat zijn mond met een onvervalste West-Vlaamse sappigheid.
‘Toen ik mijn vrouw leerde kennen, zijn we naar Gent verhuisd.’ Zijn gezicht gaat open en er ontsnapt een grote affectie voor zijn wederhelft.
‘Hebt u elkaar hier leren kennen?’
Hij maakt een soort van zijdelingse verlegen hoofdknik.
‘We komen alletwee uit Liberia maar we zijn elkaar hier tegen gekomen.’
Ik knik.
‘Hebt u ook uw familie in België?’ vraag ik.
Hij schudt het hoofd en trekt in één beweging zijn schouders op.
‘Mijn vrouw beschouwt de mensen van de kerk als familie. Ikzelf ben niet zo enthousiast als zij om te gaan.’ Hij produceert een schalkse glimlach. ‘In de Belgische kerk ben je er in een uurtje vanaf maar in de Afrikaanse?’ Hij gooit zijn arm in de lucht. ‘Uren duurt het, en dan al dat praten…’
Ik grinnik.

Gelukzalig

De bel is de aansteker van een koor van hondengeblaf. Een bonk van een man opent de deur. Hij maakt met een korte knik duidelijk dat ik mag zeggen waarom ik heb aangebeld. Ik begin een uitleg, hoe meer woorden ik produceer, hoe zachter hij begint te knikken.
‘Dus feitelijk zou je graag eens binnenkomen?’
‘Eventueel wel.’
‘Waarom niet. Dan kan je een praatje maken met mijn vrouw.’
Hij zet een stap naar achteren om mij binnen te laten. Onderaan de trap prijkt een stoellift. De honden op de achtergrond blaffen er op los. Halverwege de gang stopt hij plots.
‘Ik heb hier nogal mijn werk.’ Hij steekt zijn hand in de lucht en blijft voor zich kijken. ‘Een vrouw in een rolstoel en een verlamde teckel.’ Hij zucht even, laat zijn hand zakken en loopt door. Voor hij me binnenlaat, maant hij de honden aan tot kalmte. Het blafvolume zakt een beetje en ik stap naar binnen. Ik steek mijn hand uit naar de vrouw die onder de lichtkoepel aan de keukentafel zit. Ze heeft schouderlange grijsblonde haren. Haar ene oog is dichtgeknepen. Vanuit het andere neemt ze me nieuwsgierig op. Haar man wijst naar de keffende hond in de mand.
‘De teckel, dat is Lotte,’ zegt hij, ‘en dat daar is haar maatje Choufke, een malteser.’
‘Braaf,’ zegt de dame. Ze doet teken naar de witte hond die tegen me opspringt en zegt het nogmaals. Ze pakt een opgerold magazine met elastiekjes er rond van de tafel en heft het de hoogte in.
‘We slaan alleen op de tafel, hoor,’ zegt haar man, ’als we dat doen weten ze dat ze moeten stoppen.’ De honden kalmeren inderdaad. De dame gebaart dat ik mag gaan zitten.
‘Ik woon hier in de straat,’ zeg ik tegen de vrouw. Ze neemt me op met een nieuwsgierige blik vanuit het ene oog.
‘Drinken?’
‘Oh ja, dankjewel. Ik wil wel wat water.’
‘Bruis of plat?’
‘Doe maar plat.’

Bomen bloesem

Het huis staat een stukje van de straat weg. Ik open het gietijzeren hek en loop over het smalle paadje naar de voordeur toe. De bel is een kleine leeuwenkop. Ik druk op de tong van de leeuw. Een minuutlang gebeurt er niets, geen enkel geluid dat actie in het huis verraadt. Ik zet een stap achteruit en wil net het paadje terug opstappen als ik zie dat het gordijn beweegt. Ik ga weer netjes wachten voor de voordeur. Het trage schuiven van een slot weerklinkt en dan nog een en dan nog een. In het deurgat verschijnt een dame met een wat strenge blik. Haar haren zijn naar achteren getrokken, er zitten een paar grijze stroken in.
‘Ja?’
Ik leg uit dat ik een buurvrouw ben, dat ik hier al veertien jaar woon en dat ik sinds kort op zaterdag ga aanbellen bij mensen in de straat. Haar wenkbrauwen rijzen ten berde. De greep waarmee ze haar handen bij elkaar houdt, verstrakt.
‘Daar doen wij niet aan, juffrouw.’
Mijn wenkbrauwen wippen nu ook omhoog. Traag begin ik te knikken.
‘Oké, da’s geen probleem,’ zeg ik en ik zet een stapje achteruit. Mijn hiel zakt in het perkje naast het paadje. De aarde vertoont ritmische perforaties en is bezaaid met kleine bolletjes.
‘Dat zou ik ook moeten doen met mijn grasperk,’ zeg ik.
‘Mijn man heeft dat gedaan,’ zegt ze terwijl haar wenkbrauwen weer zakken, ‘eerst verticuteren, dan vetbollen strooien. U woont hier in de straat?’ Ik knik.
‘Wij doen niet aan zulke dingen.’
‘Geen probleem,’ zeg ik, ‘fijne dag nog.’ Ze knikt terwijl ze een stap achteruit zet en de deur weer sluit. Terwijl ik naar het hekje loop hoor ik de sloten een na een op hun plek schuiven.

Dansen en barsten

De gevel is in twee tinten blauw geschilderd. De voordeur gaat open en een vrouw met korte haarsnit verschijnt in het deurgat. In haar blik huist een gulle openheid in combinatie met een kleine verwondering en een brokje nieuwsgierigheid. Ik knik haar toe en stamel dat ik verderop in de straat woon en dat ik… Ze zet meteen een stap achteruit en opent de deur volledig. ‘Kom anders even binnen.’ Ik volg haar ferme stap door de gang naar de achterkant van het huis. Daar opent een woonkamer zich, ruim en licht. Ik kijk naar boven, er loopt een vide over de hele breedte van het huis. De muur onder de glaspartij was ooit een buitenmuur, daar is de witgeverfde gevelklem getuige van. Naar achteren toe prijkt een gevelbrede glazen schuifdeur en een langgerekte tuin. Helemaal op het einde staat een compacte boom, mooi geknot lijkt het alsof hij zijn vuisten dicht bij zich houdt. Ik kijk rond in het sober ingerichte huis.
‘Wat mooi.’
‘Oh, dankjewel,’ zegt ze trots, ‘ik had aan de architect gevraagd om een klaar huis met ruimte en licht te toveren en ja, dat is het geworden. Koffie?’
‘Ja graag.’ De keuken paalt aan de woonruimte. Het huis is gebouwd in 1926, vertelt ze terwijl ze kopjes uit de kast haalt. De bouwheer toen was een vrouw, wat opvallend was voor die tijd. Zij is nu de derde vrouw op rij die de eigenaar is van de woning. Een kopje koffie landt voor mijn neus. Ze schuift een schaaltje met eitjes in kleurige zilverpapiertjes tussen ons in en gaat zitten.
‘Enig idee de welke van zwarte chocolade zijn?’ vraag ik. Ze veert nog even weer recht om de radio wat zachter te zetten en glimlacht: ‘Allemaal, daar selecteer ik ze op.’
Ik bevrijd er eentje uit zijn folie en leg het op de tafel. Zo meteen zal ik het verorberen. Eerst vertel ik over mijn wat impulsief gestarte buurtverkenning, zij is intussen de derde halte in de straat. Ik stop het eitje in mijn mond.

De minuten rijgen zich aan elkaar tot ze een uur vormen. Aan gespreksstof is er geen gebrek. We hebben het over het bureninitiatief van vorig jaar om de snelheid te beperken in de straat en hoe dat niet veel opleverde, over het verschil tussen het lezen van de krant digitaal en op papier en hoe dat verschuivingen in perceptie lijkt te weeg te brengen, over het groen in de straat, of beter: het ontbreken ervan. Ze heeft een job in Brussel maar werkt thuis op het moment omdat ze herstelt van een schouderkwetsuur die ze heeft opgelopen bij een sportieve valpartij. Bij de gedachte daaraan wrijft ze even over haar schouder.

‘Wat is je beroep?’ vraag ik.
‘Ik ben tandarts, paradontoloog om precies te zijn.’
Ze glimlacht om mijn verraste blik.
‘Ja, dat is een antwoord dat men meestal niet verwacht. Ik heb jarenlang in het UZ gewerkt, en in verschillende groepspraktijken. Tegenwoordig ben ik vooral in Brussel bezig, ik ben verbonden aan een dienst die advies geeft aan de overheid in gezondheidszaken. We vergelijken het materiaal van verschillende internationale studies om van daaruit te adviseren. Inzake het terugbetalen van borstreconstructies na kanker bijvoorbeeld.’ Ik knik met grote ogen en bedien mij van nog een chocolade eitje.
‘Een dag in de week ben ik nog steeds als tandarts aan de slag. Ik vind het fijn om ook die connectie te behouden. Het gros van de tijd ben ik bezig met studies, verslagen en presentaties. Maar één dag in de week breng ik door met patiënten, dan ben ik zorgverstrekker.’

Wikkelen en planten

Zondagnamiddag, de vaatwas tot de nok gevuld. De potten en kommen die overschieten doe ik met de hand, soppend in de pompbak. Ik denk aan het Hongaars koppel in de straat dat een kind verwacht. Een paar dagen terug zag ik haar uit het appartementsblok komen, ik had net mijn fiets buiten gezet en trok snel de voordeur dicht om haar achterna te fietsen. ‘Hallo,’ zei ik. Ze keek verrast opzij en hield haar ene hand op haar buik. ‘Ik woon hier wat verder in de straat.’
Ze aaide zachtjes over de grote uitstulping en knikte zonder woorden toe te voegen.
‘Mag ik eens op bezoek komen?’
Haar passen vielen stil nu, ik hield mijn ene voet op de pedaal, de andere zette ik op de stoep. Ze bekeek me een paar momenten van onder tot boven. Ik glimlachte en voegde toe: ‘Ik ben benieuwd naar de bewoners in de straat, ik woon hier al een tijdje maar toch ken ik maar een paar mensen bij naam.’
Ineens bevrijdde er zich een schitterende glimlach uit haar afwachtend fronsen, ze haalde haar hand van haar buik en stak ‘m naar me toe. ‘Ja, dat is goed. Maar misschien best in het weekend, dan is mijn man ook thuis.’ Haar woorden kwamen aarzelend tevoorschijn, gewikkeld in Slavische klanken. ‘En ook hangt het af van de baby.’ Ze tikte op haar buik. ‘Is gepland voor volgende week.’

Ik drapeer de keukenhanddoek op de rugleuning van een van de keukenstoelen en loop naar de voordeur. Ik gris nog snel een sjaal van de kapstok en trek de deur achter me dicht. In een paar passen sta ik in het portaal van het appartementsblok. Ik fatsoeneer mijn haren en druk op de bovenste bel.
‘Hallo?’ Een mannelijke stem weerklinkt, de nadruk ligt op ‘Ha’.
‘Hallo,’ zeg ik wat aarzelend tegen het roostertje van de parlofoon. ‘Ik ben een buurvrouw, ik heb deze week uw vrouw ontmoet op straat, ze zei dat ik in het weekend op de koffie kon komen. Maar misschien schikt het niet? Misschien is uw baby intussen geboren?’
‘Nee, hij is nog niet geboren. Maar mijn vrouw slaapt op dit moment. Komt u straks terug? Tegen vier uur?’
‘Dat is goed, tot straks.’

Netjes om vier uur sta ik opnieuw in het portaal met mijn vinger op de bovenste bel. Een buzzer weerklinkt dit keer, ik duw de deur open. Een recent gewitte trap leidt naar boven. Op de tweede verdieping staat de enige deur op een kier. Binnen staat een jonge man me op te wachten, hij heeft een korte haarsnit en een bril in streng metaal. Zijn vrouw verschijnt naast hem, haar buik lijkt intussen nog net iets dikker dan een paar dagen terug. Hij wijst naar een stoel bij de tafel en zij haalt kopjes uit de keukenkast. Ik ga zitten. Het appartement is klein maar licht. De keuken kijkt uit op de achterkant van het huizenblok, op de grote immergroene den. Hij wil weten wat ik doe, hoe mijn leven er uit ziet. Ik neem een nipje van de koffie en vertel. Hij observeert me met grote nieuwsgierigheid, zij is wat meer in zichzelf gekeerd, ze kneedt de zijkant van haar buik. Het kind zal niet lang meer op zich laten wachten nu.