Home Blog Pagina 3

Gelukzalig

De bel is de aansteker van een koor van hondengeblaf. Een bonk van een man opent de deur. Hij maakt met een korte knik duidelijk dat ik mag zeggen waarom ik heb aangebeld. Ik begin een uitleg, hoe meer woorden ik produceer, hoe zachter hij begint te knikken.
‘Dus feitelijk zou je graag eens binnenkomen?’
‘Eventueel wel.’
‘Waarom niet. Dan kan je een praatje maken met mijn vrouw.’
Hij zet een stap naar achteren om mij binnen te laten. Onderaan de trap prijkt een stoellift. De honden op de achtergrond blaffen er op los. Halverwege de gang stopt hij plots.
‘Ik heb hier nogal mijn werk.’ Hij steekt zijn hand in de lucht en blijft voor zich kijken. ‘Een vrouw in een rolstoel en een verlamde teckel.’ Hij zucht even, laat zijn hand zakken en loopt door. Voor hij me binnenlaat, maant hij de honden aan tot kalmte. Het blafvolume zakt een beetje en ik stap naar binnen. Ik steek mijn hand uit naar de vrouw die onder de lichtkoepel aan de keukentafel zit. Ze heeft schouderlange grijsblonde haren. Haar ene oog is dichtgeknepen. Vanuit het andere neemt ze me nieuwsgierig op. Haar man wijst naar de keffende hond in de mand.
‘De teckel, dat is Lotte,’ zegt hij, ‘en dat daar is haar maatje Choufke, een malteser.’
‘Braaf,’ zegt de dame. Ze doet teken naar de witte hond die tegen me opspringt en zegt het nogmaals. Ze pakt een opgerold magazine met elastiekjes er rond van de tafel en heft het de hoogte in.
‘We slaan alleen op de tafel, hoor,’ zegt haar man, ’als we dat doen weten ze dat ze moeten stoppen.’ De honden kalmeren inderdaad. De dame gebaart dat ik mag gaan zitten.
‘Ik woon hier in de straat,’ zeg ik tegen de vrouw. Ze neemt me op met een nieuwsgierige blik vanuit het ene oog.
‘Drinken?’
‘Oh ja, dankjewel. Ik wil wel wat water.’
‘Bruis of plat?’
‘Doe maar plat.’

Bomen bloesem

Het huis staat een stukje van de straat weg. Ik open het gietijzeren hek en loop over het smalle paadje naar de voordeur toe. De bel is een kleine leeuwenkop. Ik druk op de tong van de leeuw. Een minuutlang gebeurt er niets, geen enkel geluid dat actie in het huis verraadt. Ik zet een stap achteruit en wil net het paadje terug opstappen als ik zie dat het gordijn beweegt. Ik ga weer netjes wachten voor de voordeur. Het trage schuiven van een slot weerklinkt en dan nog een en dan nog een. In het deurgat verschijnt een dame met een wat strenge blik. Haar haren zijn naar achteren getrokken, er zitten een paar grijze stroken in.
‘Ja?’
Ik leg uit dat ik een buurvrouw ben, dat ik hier al veertien jaar woon en dat ik sinds kort op zaterdag ga aanbellen bij mensen in de straat. Haar wenkbrauwen rijzen ten berde. De greep waarmee ze haar handen bij elkaar houdt, verstrakt.
‘Daar doen wij niet aan, juffrouw.’
Mijn wenkbrauwen wippen nu ook omhoog. Traag begin ik te knikken.
‘Oké, da’s geen probleem,’ zeg ik en ik zet een stapje achteruit. Mijn hiel zakt in het perkje naast het paadje. De aarde vertoont ritmische perforaties en is bezaaid met kleine bolletjes.
‘Dat zou ik ook moeten doen met mijn grasperk,’ zeg ik.
‘Mijn man heeft dat gedaan,’ zegt ze terwijl haar wenkbrauwen weer zakken, ‘eerst verticuteren, dan vetbollen strooien. U woont hier in de straat?’ Ik knik.
‘Wij doen niet aan zulke dingen.’
‘Geen probleem,’ zeg ik, ‘fijne dag nog.’ Ze knikt terwijl ze een stap achteruit zet en de deur weer sluit. Terwijl ik naar het hekje loop hoor ik de sloten een na een op hun plek schuiven.

Dansen en barsten

De gevel is in twee tinten blauw geschilderd. De voordeur gaat open en een vrouw met korte haarsnit verschijnt in het deurgat. In haar blik huist een gulle openheid in combinatie met een kleine verwondering en een brokje nieuwsgierigheid. Ik knik haar toe en stamel dat ik verderop in de straat woon en dat ik… Ze zet meteen een stap achteruit en opent de deur volledig. ‘Kom anders even binnen.’ Ik volg haar ferme stap door de gang naar de achterkant van het huis. Daar opent een woonkamer zich, ruim en licht. Ik kijk naar boven, er loopt een vide over de hele breedte van het huis. De muur onder de glaspartij was ooit een buitenmuur, daar is de witgeverfde gevelklem getuige van. Naar achteren toe prijkt een gevelbrede glazen schuifdeur en een langgerekte tuin. Helemaal op het einde staat een compacte boom, mooi geknot lijkt het alsof hij zijn vuisten dicht bij zich houdt. Ik kijk rond in het sober ingerichte huis.
‘Wat mooi.’
‘Oh, dankjewel,’ zegt ze trots, ‘ik had aan de architect gevraagd om een klaar huis met ruimte en licht te toveren en ja, dat is het geworden. Koffie?’
‘Ja graag.’ De keuken paalt aan de woonruimte. Het huis is gebouwd in 1926, vertelt ze terwijl ze kopjes uit de kast haalt. De bouwheer toen was een vrouw, wat opvallend was voor die tijd. Zij is nu de derde vrouw op rij die de eigenaar is van de woning. Een kopje koffie landt voor mijn neus. Ze schuift een schaaltje met eitjes in kleurige zilverpapiertjes tussen ons in en gaat zitten.
‘Enig idee de welke van zwarte chocolade zijn?’ vraag ik. Ze veert nog even weer recht om de radio wat zachter te zetten en glimlacht: ‘Allemaal, daar selecteer ik ze op.’
Ik bevrijd er eentje uit zijn folie en leg het op de tafel. Zo meteen zal ik het verorberen. Eerst vertel ik over mijn wat impulsief gestarte buurtverkenning, zij is intussen de derde halte in de straat. Ik stop het eitje in mijn mond.

De minuten rijgen zich aan elkaar tot ze een uur vormen. Aan gespreksstof is er geen gebrek. We hebben het over het bureninitiatief van vorig jaar om de snelheid te beperken in de straat en hoe dat niet veel opleverde, over het verschil tussen het lezen van de krant digitaal en op papier en hoe dat verschuivingen in perceptie lijkt te weeg te brengen, over het groen in de straat, of beter: het ontbreken ervan. Ze heeft een job in Brussel maar werkt thuis op het moment omdat ze herstelt van een schouderkwetsuur die ze heeft opgelopen bij een sportieve valpartij. Bij de gedachte daaraan wrijft ze even over haar schouder.

‘Wat is je beroep?’ vraag ik.
‘Ik ben tandarts, paradontoloog om precies te zijn.’
Ze glimlacht om mijn verraste blik.
‘Ja, dat is een antwoord dat men meestal niet verwacht. Ik heb jarenlang in het UZ gewerkt, en in verschillende groepspraktijken. Tegenwoordig ben ik vooral in Brussel bezig, ik ben verbonden aan een dienst die advies geeft aan de overheid in gezondheidszaken. We vergelijken het materiaal van verschillende internationale studies om van daaruit te adviseren. Inzake het terugbetalen van borstreconstructies na kanker bijvoorbeeld.’ Ik knik met grote ogen en bedien mij van nog een chocolade eitje.
‘Een dag in de week ben ik nog steeds als tandarts aan de slag. Ik vind het fijn om ook die connectie te behouden. Het gros van de tijd ben ik bezig met studies, verslagen en presentaties. Maar één dag in de week breng ik door met patiënten, dan ben ik zorgverstrekker.’

Wikkelen en planten

Zondagnamiddag, de vaatwas tot de nok gevuld. De potten en kommen die overschieten doe ik met de hand, soppend in de pompbak. Ik denk aan het Hongaars koppel in de straat dat een kind verwacht. Een paar dagen terug zag ik haar uit het appartementsblok komen, ik had net mijn fiets buiten gezet en trok snel de voordeur dicht om haar achterna te fietsen. ‘Hallo,’ zei ik. Ze keek verrast opzij en hield haar ene hand op haar buik. ‘Ik woon hier wat verder in de straat.’
Ze aaide zachtjes over de grote uitstulping en knikte zonder woorden toe te voegen.
‘Mag ik eens op bezoek komen?’
Haar passen vielen stil nu, ik hield mijn ene voet op de pedaal, de andere zette ik op de stoep. Ze bekeek me een paar momenten van onder tot boven. Ik glimlachte en voegde toe: ‘Ik ben benieuwd naar de bewoners in de straat, ik woon hier al een tijdje maar toch ken ik maar een paar mensen bij naam.’
Ineens bevrijdde er zich een schitterende glimlach uit haar afwachtend fronsen, ze haalde haar hand van haar buik en stak ‘m naar me toe. ‘Ja, dat is goed. Maar misschien best in het weekend, dan is mijn man ook thuis.’ Haar woorden kwamen aarzelend tevoorschijn, gewikkeld in Slavische klanken. ‘En ook hangt het af van de baby.’ Ze tikte op haar buik. ‘Is gepland voor volgende week.’

Ik drapeer de keukenhanddoek op de rugleuning van een van de keukenstoelen en loop naar de voordeur. Ik gris nog snel een sjaal van de kapstok en trek de deur achter me dicht. In een paar passen sta ik in het portaal van het appartementsblok. Ik fatsoeneer mijn haren en druk op de bovenste bel.
‘Hallo?’ Een mannelijke stem weerklinkt, de nadruk ligt op ‘Ha’.
‘Hallo,’ zeg ik wat aarzelend tegen het roostertje van de parlofoon. ‘Ik ben een buurvrouw, ik heb deze week uw vrouw ontmoet op straat, ze zei dat ik in het weekend op de koffie kon komen. Maar misschien schikt het niet? Misschien is uw baby intussen geboren?’
‘Nee, hij is nog niet geboren. Maar mijn vrouw slaapt op dit moment. Komt u straks terug? Tegen vier uur?’
‘Dat is goed, tot straks.’

Netjes om vier uur sta ik opnieuw in het portaal met mijn vinger op de bovenste bel. Een buzzer weerklinkt dit keer, ik duw de deur open. Een recent gewitte trap leidt naar boven. Op de tweede verdieping staat de enige deur op een kier. Binnen staat een jonge man me op te wachten, hij heeft een korte haarsnit en een bril in streng metaal. Zijn vrouw verschijnt naast hem, haar buik lijkt intussen nog net iets dikker dan een paar dagen terug. Hij wijst naar een stoel bij de tafel en zij haalt kopjes uit de keukenkast. Ik ga zitten. Het appartement is klein maar licht. De keuken kijkt uit op de achterkant van het huizenblok, op de grote immergroene den. Hij wil weten wat ik doe, hoe mijn leven er uit ziet. Ik neem een nipje van de koffie en vertel. Hij observeert me met grote nieuwsgierigheid, zij is wat meer in zichzelf gekeerd, ze kneedt de zijkant van haar buik. Het kind zal niet lang meer op zich laten wachten nu.

Oh dennenboom

Op de zolderkamer staat een stoel. Het dakraam geeft uit op de achterkant van het huizenblok. De stoel staat gepositioneerd voor een ideaal uitzicht. Met ideaal uitzicht bedoel ik dat het raam op de wereld voor driekwart is gevuld met het deinen van de armen van een grote dennenboom.

Het heeft geregend. De wintergroene naaldtakken vangen de glinsteringen op van de zopas doorgebroken bleke stralen licht. Een ekster installeert zich op een van de bovenste takken. Met opgeheven kop kleppert hij richting zon. Er steekt een lichte wind op. De ekster wiegt op en neer en kleppert opnieuw in het rond. Zijn kop beweegt hoekig terwijl hij kijkt naar het bos onder hem. Een groene long om in te vertoeven. Beneden is er een tapijt van okergekleurde naalden en dennenappels, molshopen hebben kleine opgravingen veroorzaakt, een konijn schiet weg van achter een struik. Rondom rond staan er soortgenoten van de den, grote en kleine bomen verzameld in een familie van groene schakeringen. Het is er stil, in het bos, de lucht is zuurstofrijk en een beetje vochtig.

Ik open het zolderraam. Het bos is verdwenen. Ik kijk uit over daken, muurtjes en koeren. De den staat helemaal achteraan in een langgerekte rechthoek van een tuin twee huizen verder. Een paadje met kiezels loopt er naar toe, het is broederlijk gelegen naast een strook gazon. De klimop die de ganse muur naast het pad vult is netjes getrimd. De den steekt zijn lange armen uit boven de muurtjes waarin hij zit ingemetseld, en boven de tuin van de buren langs de ene kant en de serie garageboxen langs de andere kant. 

Een veld van wij

foto: Eva Peeters

Nog even en het wordt lente. De bomen hunkeren om in bot te komen. De velden rusten om straks de planten voort te brengen die het gros van het voedsel in onze keuken zullen vormen.
Al acht seizoenen lang komen de groenten op mijn bord van een zelfoogstveld net buiten de stad. Ik vroeg aan boer Michiel Van Poucke of hij – nu het nog winter is – tijd kon maken voor een gesprek over het wel en wee van zijn nieuwgevonden stiel.

lees hier het artikel (pdf): Michiel Van Poucke: Een veld van wij

Nieuwe einders

foto: Eva Peeters

Jarenlang was ik actief in het Vlaamse kunstenlandschap als curator en organisator. Eerst vanuit Kunstencentrum Vooruit en later vanuit stadslabo Timelab, onderzocht ik hoe kunstenaars, makers en burgers, experimenten konden opzetten om de samenleving anders te organiseren, meer in overeenstemming met onze veranderende wereld.

De aanslagen van 22 maart 2016 in Brussel kwamen en braken mij in twee stukken. Hoewel er in mijn familie of vriendenkring niemand persoonlijk werd getroffen, kon ik van de ene dag op de andere niet meer vooruit. Het was alsof het nieuws een gat in mijn – al sterk geleegde – energietank had geslagen en ik nu alleen nog lijdzaam kon toezien hoe het laatste beetje van mijn krachten oploste in het niets.

Waar drama is, is geen liefde

foto: Eva Peeters

Geïntrigeerd door het gegeven ‘familieopstellingen’ volgde ik een opstellingsdag bij Tina Vervaeke. Het is een bijzonder procédé: mensen die je niet kent nemen voor de duur van een opstelling de positie van familieleden in en representeren jouw familiesysteem. Er ontstaat een soort van tableau vivant waarnaar je als waarnemer kan kijken zodat patronen of dynamieken zichtbaar worden.
Ik vroeg aan de kapitein die de opstellingen eerst de zee op loodste en dan weer de haven in, of ze tijd had voor een gesprek.

lees hier het volledige gesprek (pdf): Tina Vervaeke: Waar drama is, is geen liefde

een korte versie van het gesprek is verschenen in het maandblad Psychologies in juni 2017

Het voeden van de bestemming

In het najaar van 2016 speelde ik met het idee om ontmoetingen op te zoeken met mensen die werken vanuit heelheid en verbondenheid. Het leek mij spannend om daarbij niet alleen doelgericht op zoek te gaan maar om ook oog te hebben voor datgene wat onderweg verschijnt.
Toen stootte ik, wachtend op een bankje ergens, op een boekje van acupuncturist Bruno Braeckman. Ik sloeg het open en las:
‘Misschien kan ik het best mijn ware gezondheidstoestand evalueren aan mijn vermogen om in alles en in iedereen die op mijn weg komt schoonheid te herkennen.’
Thuisgekomen ’s avonds zocht ik het contact van de man op en boekte een afspraak.

lees hier het volledig gesprek (pdf): Bruno Braeckman – Het voeden van de bestemming

een korte versie van het gesprek is verschenen in het maandblad Psychologies in mei 2017

Hemelse toestand

Donderdag date-dag. De aanprijzing van de minister van welzijn om wekelijks toegewijde tijd voor je partner vrij te maken, werd verguisd door de hipperds en bejubeld door de Bond van Grote en Jonge Gezinnen. Ik hang tussen de twee extremen in, liever niet te paternalistisch alsjeblief maar ai, één keer per week samen op stap? Het lukt niet eens een keer per maand…
Vrijdagmiddag, ik zit aan de computer en probeer een stuk af te werken. De rechthebbende op wekelijkse date-tijd stormt de kamer binnen om een paar keer over en weer te benen met de handen in het haar. Een knoop in een creatieproces baart zorgen. Ik observeer zijn krampen een paar ogenblikken.
‘Ik weet het!’ zeg ik, opverend van mijn stoel. ‘Vrijdagnamiddag date-dag.’ Hij bekijkt me even alsof ik van een andere planeet kom, dan bedaren zijn wenkbrauwen en verschijnt er een glimlach. ‘Goed idee.’

Kwart voor twee. We komen aan in de sauna. Op een paar gezegenden in leeftijd na zijn we alleen in het complex. Naakt en tevreden werpen we elkaar een blik toe in de zweethut. Hij is van plan om de stress er langdurig via zijn poriën uit te jagen. Ik hou het na tien minuten al voor bekeken en zoek een houten bankje op bij het buitenbad. Het is heerlijk om zo in badjas buiten te zitten in de winter. Mijn benen dampen. De verse lucht reikt tot diep in mijn longen. Enkel het klotsen van het water is te horen.